weekblad-logo

week 10-2021

Fotoquiz snelste

De snelste met het juiste antwoord op de foto van vorige week was Gerard Koppers. De nieuwe opgave komt dan ook van hem. Onvermijdelijk heeft die met zijn passie te maken die 'brandweer' het.

De vraag is:

Waar is/was deze brandweerpost?

Oplossingen via deze link

Foto: Collectie Gerard Koppers

Oplossing vorige week

 

 

De fotograaf stond op de Nieuwezijds Kolk naast het Korenmetershuisje en maakte zijn opname richting Kolksteeg.
Hij stond op wat begin veertiende eeuw de noordgrens van Amsterdam was, waar de eerste banmolen stond en waar de omgelegde Boerenwetering in de Amstel loosde. Op de Nieuwendijk, aan het eind van de Kolksteeg, was het eerste hek dat de stad beschermde tegen de Kennemers. Hier was ooit de dwangburcht van Floris V die door Jan Baart voor het slot van de Van Amstels werd aangezien. Hoe oud wilt u het hebben?

Afb: Stadsarchief Amsterdam

Bekijk de vernieuwde PDF nog eens. Klik de omslag onder om te lezen.

Goede oplossingen kwamen van Gerard Koppers, Anthony Kolder, Anneke Huijser, Ger Lange, Robert Raat, Aschwin Merks, Eric Dubelaar, Jos Mol, Adrie de Koning, Peter Pijst, Fanta Voogd, Bert Brouwenstijn, Otto Meyer, Harry Snijder, Arjen Lobach, Dirk Fuite, Kees Valentijn, Han Mannaert, Mike Man, Ton Brosse, Herman Schim van der Loeff, Hans Goedhart, Hans van Efferen,

Fotoquiz: Pieter's keuze

 

De keuzefoto betreft ook deze week een locatie binnen de Singelgracht.

Weer eens een recente foto, maar nog niet recent genoeg. We moesten een firmaopschrift verwijderen omdat de firma in kwestie al weer vertrokken is.
De vraag is:

Wat is het adres van dit pand?

Oplossingen graag via deze link

Foto: © Pieter Klein

Oplossing: Ton's keuze

Het dubbelpand Oudeschans 74-76 (oude nummering; genaamd De Twee Tijgers) werd vanaf 1610 bewoond door vader Leonard en zoon Hieronimus Ranst die aangetrouwd dan wel verzwagerd waren aan families als Boreel, Coymans en Valckenier. De oudste zoon Constantin van Hieronimus werd in 1662 benoemd tot tweede man op Desjima en van 1663 tot 1665 opperhoofd.

Foto: © Ton Brosse

In 1665 werd Constantin hoofd van de factorij Tonkin om in 1667 weer terug te keren naar Desjima. Na nog wat heen-en-weer schuiven tussen hoge posten voor de VOC werd hij na een schandaal met aansluitend proces in 1673 van zijn taken ontheven en keerde met omvangrijke bezittingen terug naar Batavia. In 1677 werd hij naar de Republiek terug 'bevorderd' als admiraal van de retourvloot naar Amsterdam.
In Amsterdam kreeg hij onmiddellijk een baan op het stadhuis als weesmeester en werd kapitein der schutterij. In 1679 kocht hij een dubbelpand op de Herengracht 527-529 en de familie bezat ook nog sinds 1644 een buitenhuis in de Purmer, naar ontwerp van Philips Vingboons (afb.links). Het dubbelpand aan de Oudeschans was toen nog steeds eigendom van de familie en werd pas in 1718 verkocht.

Afb: Europeana

Goede oplossingen kwamen van Ria Scharn, Kees Huyser, Jos Mol, Anneke Huijser, Mike Man, Arjen Lobach,

Heeft u ook een opvallende foto gevonden?

Laat ons meegenieten en stuur hem naar de redactie. Het onderwerp kan zich zowel binnen als buiten de Singelgracht bevinden. Wij verwachten wel een niet alledaags beeld dat ook niet-buurtbewoners wel eens op het netvlies kregen. Graag via deze link en alléén via deze link a.u.b. Blijf sturen!

Fotoquiz Wat? Waar?

 

 

Lang mocht het er niet staan, dit kantoorpand. Zo fraai als het er uitzag was het in de kern niet. Niet lang na de bouw werden scheuren in het metselwerk geconstateerd. Daar had de buurman achter dit pand ook al de nodige problemen mee gehad. De eigenaar liet het pand - nog geen 20 jaar oud - vervangen door een nieuw. De vragen zijn:

Wat was het adres van dit kantoorpand?
Wie was de eigenaar/gebruiker?

Laat het ons weten via deze link

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Oplossing vorige week

De samenkomst van Nieuwezijds Voor- en Achterburgwal. Slechts aan één kant een kade die dus doodliep..., het Eind van de Wereld. Het pand dat er nu staat heeft het adres Hekelveld 25. Het zag die bijnaam gekaapt worden door de buurman op nr.4. Links van nr.4 is het Klimopstraatje.

Foto's: Stadsarchief Amsterdam

Lang niet iedere vermelding hieronder ging gepaard met "het Eind van de Wereld". Ook kwam het noemen van Peeters Kapok voor en de minst fantasievolle was het noemen van de huidige gebruiker: hotel Sint Nicolaas.

Goede oplossingen kwamen van Arjen Lobach, Gerard Koppers, Adrie de Koning, Anthony Kolder, Jos Mol, Kees Valentijn, Ria Scharn, Robert Raat, Olaf Horn, Anneke Huijser, Ron Huissen, Harry Snijder, Otto Meyer, Dirk Fuite, Henk Swart, Minne Dijkstra, Han Mannaert, Mike Man, Ton Brosse, Herman Schim van der Loeff, Kees Huyser, Hans Olthof, Ton Hupkens, Hans Goedhart, Dick van Alphen, Hans van Efferen,

Met de camera op pad...

 

 

Van de bebouwing op deze foto staan vandaag nog twee huizen overeind.

De vragen zijn:

Waar is dit?
Hoe heet de steeg?

Oplossingen graag via deze link

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Foto van vorige week

 

Deze foto gaf weinig problemen, net als die van vorige week. Dit is de Binnen-Amstel bij de uitmonding van de Kloveniersburgwal. De bruggen zijn de Halvemaansbrug (#221; rechts) en de Aluminiumbrug (#222; links). Deze laatste brug heeft meer namen gehad. De meest genoemde is de Dwingerbrug naar de toren Swijgh Vtrecht, wat een dwinger was, een bolwerk.

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Goede oplossingen kwamen van Arjen Lobach, Adrie de Koning, Gerard Koppers, Anthony Kolder, Robert Raat, Ria Scharn, Anneke Huijser, Emmanuel Zegeling, Fons Baede, Jos Mol, Jan Six van Hillegom, Ron Huissen, Otto Meyer, Harry Snijder, Kees Valentijn, Mike Man, Han Mannaert, Ton Brosse, Herman Schim van der Loeff, Kees Huyser, Katja Kronenberg, Fanta Voogd, Hans Olthof, Hans Goedhart, Hans van Efferen,

YouTube: het oudste café van Amsterdam

 

Er zijn in Amsterdam vier cafés die aanspraak maken op de titel oudste café van Amsterdam. Als trouwe lezer van deze pagina weet u natuurlijk allang welk café dat is, maar deze filmmakers gaan nog eens op onderzoek uit... en komen dan toch tot dezelfde conclusie.

Teneur van het verhaal: hier zuipt men al eeuwen!

Klik hier of de afbeelding om de film te kijken

redactioneel

Arti et Amicitiæ

Op 3 december 1839 werd kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiæ opgericht. Dat gebeurde in de Karseboom in de Kalverstraat en in een zaal van dat etablissement werden ook de eerste vergaderingen en tentoonstelling gehouden. Dat werd al snel te klein en men week uit naar het gebouw van 't Nut aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Al vanaf het begin sluimerde de wens een eigen onderkomen te bemachtigen en die kans deed zich voor toen men in 1840 een complex van drie panden kon kopen, waarvan er slechts één vrij voor eigen gebruik kwam. Dat was de vereniging echter voldoende. Het ging om Rokin 112 (het Wapen van Utrecht en Grand Salon Duport) en Kalverstraat 151. De aankoopsom bedroeg ƒ52.000 die door een uitgeschreven lening soepeltjes bij elkaar kwam.

Het benoemen van huisnummers van de panden die Arti aan het Rokin kocht, is ondoenlijk omdat ze reeds samengevoegd waren toen in 1850 de eerste buurtindeling met huisnummers ingevoerd werd en beide panden samen Rokin 112 werden. Ze hadden alleen in 1811 aparte kadestrale nummers gekregen.

Natuurlijk kon Rokin 112 niet zomaar in gebruik genomen worden. Eerst moest een tentoonstellingszaal gerealiseerd worden. Daarbij zou veel aandacht uit moeten gaan naar toetreding van daglicht in die zaal. In maart 1841 werd besloten tot verbouwen van Rokin 114 naar een ontwerp van architect Marinus G. Tetar van Elven. Voor een bedrag van ƒ8000 zou een aannemer van de totale diepte van de zaal op de eerste verdieping (17,5x5,8 meter) in tweeën delen. Het voorste gedeelte van 4,5 meter kon het met het daglicht via de ramen aan de voorzijde doen. Een wegdraaibare wand zou de overige 13 meter afscheiden. Daarvan werd het plafond over een groot deel weggenomen waardoor de nok in zicht kwam. Die zaal kreeg nu daglicht door 14 grote ramen in het schuine dak, voorzien van matglas en licht gordijnen. De tekening van Johannes Hilverdink maakt het duidelijker. Om het licht nog verder te dimmen werd later toch weer een plafon gemaakt, maar nu van matglas. Veel van het geld ging in onzichtbare versterkingen van het nu wat wiebelige geworden dak. Het meest zichtbaar zijn de consoles die de kapspanten moesten dragen. Voor al te uitbundige decoratie van de ruimte was geen geld genoeg en bleef dus achterwege.

Voor de groeiende vereniging bleek de ruimte onvoldoende maar de afgesloten leningen voorkwamen dat er snel uitgebreid kon worden. De leden hadden bovendien veel last van dames die de herberg ernaast frequenteerden. Het werd 1853 voordat besloten werd de herberg eveneens te betrekken. Die verbouwing werd omvangrijker want de eis was dat de ruimten over beide panden op hetzelfde niveau zouden komen. Dat betekende dat de herberg van binnen helemaal gestript kon worden en nieuwe vloeren op de maten van Duport konden worden gemaakt. Meerdere architecten werden uitgenodigd, waaronder ook leden van de vereniging. Uit de inzendingen werd die van Johannes H. Leliman gekozen; op 5 september 1854 werd het plan goedgekeurd. Een commissie uit de leden zou de architect begeleiden. De geschatte kosten van de verbouwing bedroegen ƒ45.000. Dat was inclusief een nieuwe voorgevel over beide panden, opgemetseld van baksteen en wit gepleisterd. Leliman was enthousiast aanhanger van de eclectische stijl, voor zover je dat een stijl kunt noemen.

Op 31 mei werd het werk aanbesteed. Begonnen werd met de totale afbraak van het Wapen van Utrecht en op 7 augustus werd de eerste steen gelegd. De raampartijen van het bestaande gedeelte bepaalden in grote lijnen die van het hele gebouw. De bredere ingangspartij reikte buiten nr.114 gedeeltelijk over nr.112 heen, alles om een symmetrische gevel te krijgen. In het oude gedeelte bleven de sociëteitszalen (lees-, conversatie- en biljartzaal). Achter de nieuwe ingang ging een monumentale trap naar de bovenverdieping met de kunstzalen.

Ruimte genoeg, zou je zeggen, maar tevreden waren de heren nog niet. In 1891 werd een commissie benoemd die de volgende zaken moest zien te verbeteren, desnoods door weer een verbouwing. Ten eerste moesten de administratieve ruimten en de bestuurskamer(s) verbeterd worden. Daartoe suggereerde de commissie het pand Spui 1 aan te kopen, wat het totaal dieper zou maken, maar wat financieel niet haalbaar was. Verder moesten de tentoonstellingsmogelijkheden uitgebreid worden door flexibele indelingen van bestaande zalen. De overblijvende voorzieningen werden in 1893 opgedragen aan de architecten Adrianus C. Bleys en Hendrik P. Berlage. Op 5 juni 1893 werd het werk aanbesteed en op 1 mei 1894 was de verbouwing voltooid. De ingang van Arti was nu op het (inmiddels gedempte) Spui gekomen. Daardoor kon de oude vestibule achter de ingang aan het Rokin in een tentoonstellingszaal veranderd worden. De bestuursruimten waren nu aan de kant van het Spui gekomen, rechts van de nieuwe ingang; dat gedeelte was opnieuw opgetrokken.

In het pand waren verder gekomen: een bar, een garderobe en een extra spiltrap. Het trappenhuis werd opnieuw gebouwd en de fraaie trap werd verbreed tot 2,25 meter en langs de wanden kwam een eikenhouten lambrisering van 1,5 meter hoog (foto links). De muur tussen beide kunstzalen was gesloopt en het plafond werd nu gedragen door marmeren zuilen. Het was toen dat het extra matglazen plafond er in kwam.
De vroegere bestuursruimten waren nu helemaal voor het archief bestemd. Aan de voorgevel werd een extra verdieping gecreëerd door het verlagen van de vloer van de eerste verdieping.
Om dit allemaal te kunnen bekostigen werd het pand Kalverstraat 151 weer verkocht.

Deze en alle onderstaande foto's: Erwin Meijers

Niets blijft, niets is voor eeuwig. De vereniging kwam in geldnood en besloot in 1962 alle bestuursvoorzieningen aan de Spuizijde weer op te geven. De ingang kwam weer aan het Rokin en de Spuikant werd vertimmerd tot winkels. Spui 1 werd deze keer wel gekocht en daar werden enkele voorzieningen in ondergebracht, waaronder de beheerderswoning.
In de weer gescheiden kunstzalen werd een hoop decoratie opgeofferd aan een modern uiterlijk (onder).

De vier allegorische beelden aan de gevel van Leliman werden in 1963 verwijderd. Er werden kopieën vervaardigd die brons gepatineerd en opnieuw op de gevel geplaatst werden. De originelen van geschilderd grenenhout door beeldhouwer Franz Stracké werden gerestaureerd en vonden een plaats in de sociëteit.

Alle afbeeldingen komen uit de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam, tenzij anders aangegeven.

Amstelodamia: Stadspoorten van Amsterdam -4

 

Afb:Kaart van de Derde en Vierde uitleg van Frederik de Wit, uitgave 1694-1706

Het bestuur van Amsterdam besloot in 1656 dat er aan de Vierde Uitleg begonnen kon worden. Stadsbouwmeester Daniël Stalpaert had de algehele leiding over dit project, dat zou leiden tot de beroemde halvemaanvormige grachtengordel die de binnenstad nog steeds omsluit. De nieuwe omwalling volgde het patroon van die van de Derde Uitleg. De Lijnbaansgracht en de Schans werden doorgetrokken, zodat er een halfcirkelvormige rondweg (toen nog een wandelpad) ontstond, die wij terugzien in de Planciusstraat, de Marnixstraat, de Weteringschans, de Sarphatistraat en de Czaar Peterstraat, waarover tegenwoordig fietsen, auto’s en trams rijden. Langs de nieuwe stadswal verschenen na 1660 de grote stadspoorten Leidsepoort, Utrechtsepoort, Weesperpoort en Muiderpoort. De Weteringpoort werd later als hulppoort aangelegd.

De militaire poorten Muiderpoort, Weesperpoort en Utrechtsepoort werden tussen 1661 en 1664 volgens een gelijk ontwerp gebouwd door Gerrit Barentsz Swanenburgh. Een soort van 17e eeuws ‘prefab’ principe dus. Volgens sommigen om de vijand om de tuin te leiden, zodat deze niet wist voor welke poort hij stond. Maar in werkelijkheid was het om te bezuinigen op de bouwkosten. Dat er bezuinigd werd bleek ook uit de belabberde fundering van de Muiderpoort, die de Sint Antoniespoort van de Tweede Uitleg aan het eind van de Muiderstraat had vervangen. Er waren reeds enkele niet effectieve maatregelen genomen, maar deze konden niet voorkomen dat de poort in de nacht van 29 op 30 januari 1769 van zijn fundering gleed en zestien voet zakte. Een aantal dagen er na werd al begonnen met de sloop van de eerste Muiderpoort, waarna in 1770 de tweede Muiderpoort werd ontworpen door Cornelis Rauws en in 1771 werd afgebouwd. Het gebouw was een voorbeeld van de stijl van Lodewijk XVI. Anthonie Ziesenis zorgde voor het beeldhouwwerk. De tweede Muiderpoort en de vijfde Haarlemmerpoort zijn de enige overgebleven stadspoorten van na de Vierde Uitleg die, elk na bedreigd te zijn met afbraak en toch weer gerestaureerd werden, nu nog als monument in de stad te bewonderen zijn.

Afb.boven: de eerste Muiderpoort aan de Plantage Muidergracht , daaronder links: de ingezakte Muiderpoort bij het begin van de sloopwerkzaamheden, gezien vanuit het noorden over de Baangracht en rechts de nieuwe Muiderpoort met daar achter de Oranje Nassaukazerne en molen De Gooijer in 1825

De Weesperpoort werd door Gerrit Barenstz Swanenburgh gebouwd tussen 1661 en 1662 en stond aan het eind van de Weesperstraat op het Weesperplein en was qua uiterlijk gelijk aan de eerste Muiderpoort en de Utrechtsepoort. De Weesperpoort werd in 1855 gesloopt en maakte plaats voor de Weesper Barrière (1857) met twee accijnshuisjes, die respectievelijk in 1870 en 1874 werden afgebroken. De naam Weesperpoort leeft nog voort in brug 263 die het Weesperplein over de Singelgracht met het Rhijnspoorplein verbindt. Tijdens de Franse bezetting werd het torentje verwijderd om een optische telegraaf te kunnen plaatsen.

Afb: de Weesperpoort over de Singelgracht gezien; historiserende tekening door Adriaan Eversen ±1850

De Utrechtsepoort was één van de drukste stadspoorten van de Vierde Uitleg, door het grote wagenplein met de varkens- en ossenmarkt en was een vervanging van de Nieuwe Regulierspoort van de Tweede Uitleg aan het einde van de Reguliersbreestraat. De Utrechtsepoort werd tussen 1658 en 1664 door Gerrit Barentsz Swanenburgh gebouwd aan het eind van de Utrechtsestraat op het tegenwoordige Frederiksplein, waar nu de Nederlandse Bank staat en was identiek aan de Muiderpoort en de Weesperpoort. De Utrechtsepoort werd samen met de nabijgelegen brug gesloopt in 1857-1858 en vervangen door een nieuwe brug met barrière en wachthuis. Op de plaats van de afgebroken Utrechtsepoort werd reeds in 1859 de eerste paal geslagen voor het Paleis voor Volksvlijt, dat in 1864 ingewijd werd en helaas in 1929 afbrandde.

Afb: de Utrechtsepoort over de Singelgracht gezien; ingekleurde ets door Pieter Schenk ±1710

Tussen 1662 en 1664 werd op het Leidseplein de Leidsepoort gebouwd naar het ontwerp van stadsbouwmeester Daniël Stalpaert, ongeveer op de plek waar nu het American Hotel staat. Deze poort verving de Heiligewegspoort van de Tweede Uitleg. De Leidsepoort  was een plomp vierkant gebouw met vier hoektorens en een torentje op het midden van het dak met een slag- en uurwerk. Dat uurwerk maakte elk kwartier zo’n lawaai dat de houten buitenmuren van de stadsschouwburg in 1774 met zaagsel moesten worden opgevuld. Over de Singelgracht lag een brug met negen stenen bogen, met daartussen twee ophaalbruggen en een wachthuis. Aan het eind van de brug stond een hamei met zware ijzeren hekken. Boven de vertrekken van het ‘Corps de Guarde’, de ‘Kortegaarde’ (politiebureau), was vanaf 1718 50 jaar lang de stadstekenacademie gevestigd. In het begin van de 19e eeuw huisvestte de Leidsepoort een gevangenis voor losbandige jeugd als dépendance van het Huis van Verbetering. In 1862 werd de Leidsepoort, die bij verkoop f 772,50 had opbracht, afgebroken om plaats te maken voor de bouw van de Leidsche Barrière, die echter in 1881 alweer gesloopt werd. Op 7 mei 1882 werd het zojuist gebouwde American Hotel feestelijk geopend.

Afb: de Leidsepoort, nu eens over de Lijnbaansgracht van de stadszijde gezien; Frederic Leizelt ±1870. Rechts van het midden de schutsluis naar de Singelgracht en de Trapjesschans

Ter hoogte van de huidige Weteringstraat werd rond 1668 in de stadswal de Weteringpoort aangelegd als één van de hulppoorten, zoals ook de Raampoort en de Zaagmolenpoort. Het poortje was maar een kleine doorgang en sloot aan op een smalle brug over de Singelgracht, tegenover de Boerenwetering (waarlangs de huidige Hobbema- en Ruysdaelkade). In 1841 werd de Weteringpoort afgebroken, waarna in 1842 de Wetering Barrière er voor in de plaats kwam. Dergelijke barrières vervingen ook andere afgebroken stadspoorten met hun accijnshuisjes. In het commiezenhuisje bij de Wetering  Barrière, dat in 1987 geheel gerestaureerd werd, werd de stedelijke accijns geïnd, totdat deze heffing in 1866 verviel. De naam Weteringpoort leeft voort in de huidige brug 90.

Barrières - Linksonder de Weesperbarrière en rechts de Weteringbarrière; beide foto's ±1860

De afbeeldingen komen uit de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam, tenzij anders vermeld.

Column: Abraham Michel Herzberg - Hagnosas Ouregiem

eel anders dan Willem de Zwijger bedoeld had, werd de praktijk in de zestiende-eeuwse Republiek bepaald door fanatieke Calvinisten. De aanhangers van die geloofsrichting werden gepamperd door de overheid en alle andere richtingen mochten zichzelf bedruipen. Dat wil zeggen… als het ze niet onmogelijk gemaakt werd. Van gedogen moesten ze eigenlijk niets hebben. Sommige stromingen waren vanwege hun inbreng in de economie welkom, andere werd het bestaan onmogelijk gemaakt.
Tegen het einde van die eeuw kwamen de eerste Joden naar de Republiek. De vroedschap zag ze graag komen, want ze brachten vaak internationale contacten en goed-geoliede handelshuizen mee. Maar ook zij moesten zelf voor hun geloofsgenoten zorgen, net als Doopsgezinden, net als Lutheranen. Daar hadden en hebben Joden geen probleem mee, dat zit in hun cultuur ingebakken. Toen in de zeventiende tot en met de negentiende eeuw tienduizenden Joden naar ons land vluchtten werden ze hier opgevangen, zo goed en zo kwaad als mogelijk. Soms werd het moeilijk maar altijd werd er alles aan gedaan…
Zo’n golf vluchtelingen kwam in 1882 ons land binnen op weg naar de havensteden waar emigrantenschepen ze naar Amerika vervoerden. De voorzieningen waren nihil en alleen dragelijk voor de passanten omdat ze veel erger ontvlucht waren. De Joodse gemeenschap vond het verschrikkelijk en toen begin twintigste eeuw nieuwe massa’s toestroomden werd er beraadslaagd hoe er beter geholpen kon worden. Op 1 november 1904 werd een vergadering belegd in de vergaderzaal van de Hoofd-synagoge met het doel het beginkapitaal bijeen te brengen. Op 5 juni 1905 (2 siwan 5666) werd de Vereniging tot Steun aan Doortrekkenden opgericht: Hagnosas Ouregiem. De oprichtingsvergadering in Maison Frijda op Nieuwe Herengracht 93 werd voorgezeten door opperrabbijn Palache en de oprichting en toelichting op de werkwijze werd steeds met applaus en gejuich ontvangen door een zeer welwillend publiek. Voorzitter van het dagelijks bestuur werd M. Person die echter spoedig besloot naar Parijs te verhuizen. Zijn opvolger werd Abraham Michel Herzberg (1863-1938), een in 1882 uit het Rusland van Tsaar Alexander III gevluchte Jood die in Amsterdam een nieuw bestaan had opgebouwd. Hij trouwde met Rebecca Person die dezelfde achtergrond had en in hetzelfde jaar naar Amsterdam uitweek. Hun zoon Abel Jacob zou later nog van zich doen spreken.
Person en Herzberg waren zwagers. Person had goed werk verricht bij de voorbereidingen maar nu moest er doorgepakt worden. Dat deed Herzberg dan ook; hij huurde een lokaal in de Manegestraat en ving meteen de eerste emigranten op.
Het belangrijkste werk moest echter verder weg verricht worden. Aan de Nederlands-Duitse grens heersten wantoestanden; Bentheim was een hel voor Joodse vluchtelingen en Emmerich was niet veel beter.

Vanuit Deventer werden grenscomités opgericht die de vluchtelingen aan de grens opvingen, onderbrachten in emigantenhotels waar ze hun lompen inruilden voor ingezamelde kleren, voorzien werden van politiekaarten en medische hulp.
In samenwerking met de Spoorwegen en de Amerikalijnen werden biljetten verstrekt om eenvoudiger te kunnen doorreizen naar de havensteden. In Zevenaar werd menselijker omgegaan met vluchtelingen en Hagnosas Ouregiem en Montefiore - haar zusterorganisatie in Rotterdam die al sinds 1883 actief was - deden er alles aan om Joden op doorreis via dát grensstation om te leiden. Dit alles gratis door vrijwilligers en alleen tegen vergoeding als de emigranten nog iets van geld bezaten.
Een forse streep door de rekening was de Engelse ‘immigration bill’ van 1 januari 1906 die het vluchtelingen moeilijk maakte vanuit Engeland door te reizen naar Amerika. Na overleg in Londen mochten per boot slechts 11 emigranten mee, meestal maar 1x per week, heel soms 2x. Dat schoot dus niet op. De kosten van onderbrenging in het eerste jaar overstegen de inkomsten vele malen. Grote steun waren de bijdragen van het Groot-Russisch Comité dat alleen het eerste jaar al ƒ4615,50 bijdroeg. Om een indruk te geven wat de vereniging allemaal verzorgde hier de verantwoording van de penningmeester op de eerste jaarvergadering: eten ƒ1267,62, slapen ƒ588,82, reiskosten ƒ4993,93½, verteer onderweg ƒ632,54, kruier ƒ51,25, huur en conciërge ƒ232,50, drukwerk ƒ132,85½, meubilering ƒ94,94, brandstof ƒ35,03, verplegingskosten ƒ295,10, linnengoed ƒ58,12½, schoenwerk ƒ38,40, badkaartjes ƒ26,20, telegrammen ƒ19,15, Thora (Hebreeuwse bijbels) en Tefillien (gebedsriemen) ƒ35,50, werkster ƒ5,95, administratiekosten nihil.

Op 11 september 1906 ging een wens in vervulling. Die dag opende een eigen onderkomen op Weesperstraat 2. Met veel giften - de grootste alweer van het Groot-Russisch Comité met ƒ2000 - had de vereniging dit huis kunnen kopen. Er waren 4 slaapkamers ingericht met 27 bedden, er was een keuken en een conciërgekamer en in de tuin was een kinderspeelplaats ingericht. Grote aandacht was er voor hygiëne, massa’s vers stro en glad gepleisterde wanden zodat ongedierte weinig kans had. Door journalisten gevraagd weigerde Herzberg commentaar; de grote motor achter alle activiteiten had daar geen tijd voor. De enkeling die alles uit de doeken deed, verzocht anoniem te mogen blijven omdat hem dit anders door Herzberg kwalijk genomen zou worden. De eenvoud en vanzelfsprekendheid in persoon, geen wonder dat er geen foto van hem te vinden is, geen pasfotootje of waar hij mede opstaat. Wel een propagandafoto van een troep emigranten die opnieuw aangekleed en uitgerust klaar stonden om het vervolg van hun reis in betere omstandigheden te beginnen dankzij Hagnosas Ouregiem…

Deze week honderd jaar geleden

Woensdag 9 maart 1921 - De Gemeenteraad gaat akkoord met het voorstel van B&W de luchtvaartmaatschappij KLM toe te staan een 'luchtvaartkiosk' op het Leidseplein op te richten. Wij weten intussen dat dit niet zozeer een kiosk werd maar een passage-terminal met regelmatige busverbinding met de luchthaven in de Haarlemmermeerpolder. Het zou overigens pas in 1924 geopend worden. In de oorlogsjaren werd het gebruikt door de Dienst Luchtbescherming en in 1949 werd het gesloopt nadat de KLM naar het Museumplein was verhuisd.

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Donderdag 10 maart 1921 - Bij de jaarlijkse subsidie-uitkeringen gaat de hoofdmoot weer naar het Concertgebouw (orkest én gebouw waren toen nog één). Het Concertgebouw strijkt in 1921 ƒ100.000 op maar de voorwaarde is dat er een tweede vaste dirigent naast Willem Mengelberg wordt aangesteld. We hebben eerder bericht over de onmin tussen Mengelberg en iedereen die van hem afhankelijk was, inclusief de stedelijke overheid. Die heeft genoeg van de sterallures en wil hem een concurrent opdringen. Het zou Karl Muck (Darmstadt, D; Zwitserse nationaliteit) worden, die al vanaf 1919 een los-vast verband met het orkest had en steeds opdraafde als Mengelberg plotseling weer een buitenlandse opdracht had aangenomen en zijn orkest in de steek liet. Een Amerikaanse hetze tegen Muck wegens diens Duitse sympathieën tijdens WO1 deed hem in 1925 ook in Amsterdam de das om. Hij nam ontslag en vertrok naar Duitsland. Dat de Amerikanen er helemaal niet zo ver naast zaten bewees Muck zelf door zijn grote verering voor Adolf Hitler. Die was ook wederzijds; Hitler noemde een van zijn honden 'Muck"...

Oude afleveringen

Hieronder weer een keuzemenu naar oude afleveringen van het jaar 2020. De keuze 2014 t/m 2020 leidt naar de laatste aflevering van het betreffende jaar, met onderaan een eigen menu voor dat jaar.

2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 wk01 wk02 wk03 wk04 wk05
wk06 wk07 wk08 wk09 wk10 wk11 wk12 wk13 wk14 wk15 wk16 wk17
 

Aanmelden voor deze digitale uitgave    -    Afmelden voor deze digitale uitgave