weekblad-logo

week 22-2022

Uw webmaster verheugt zich al om over 200 jaar te kunnen schrijven: week 22 -2222. Houdt u ook de moed er in?

Fotoquiz eerste

De snelste met het goede antwoord op de foto van vorige week was Ria Scharn. De nieuwe opgave komt dan ook van haar. De vraag is:

 

Waar is dit?

Oplossingen via deze link

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Oplossing vorige week

 

Dit is de Prinsengracht met brug #75 in de Utrechtsestraat.

 

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Goede oplossingen kwamen van Ria Scharn, Harald Advokaat, Arjen Lobach, Jos Mol, Mike Man, Han Mannaert, Aschwin Merks, Adrie de Koning, Hans Olthof, Marike Muller, Hans van Efferen, Kees Valentijn, Otto Meyer,

Fotoquiz: Marike's keuze

De keuzefoto betreft deze week een locatie binnen de Singelgracht. De vraag is:

 
Welke straat is dit?

Laat het ons weten via deze link

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Oplossing: Ton's keuze

 
Over de Singelgracht ligt voor de Plantage Middenlaan brug nr. 265, de Henriëtte Pimentelbrug. Ton wilde meer weten over de persoon waarnaar de brug vernoemd is. We beginnen, voordat we enkele deelnemers aan het woord laten, met de tekst die bij de vorige Henriëtte Pimentelbrug (Verzetsheldenbuurt Slotermeer) stond.

De Joodse onderwijzeres en verpleegster Henriëtte Pimentel werd in 1962 directrice van de chrèche aan de Plantage Middenlaan 31-33. De crèche werd tijdens de oorlog door de Duitse bezetter gebruikt om tijdelijk Joodse kinderen op te vangen. Hun ouders zaten opgesloten in de Hollandsche Schouwburg aan de overkant, in afwachting van hun deportatie. Samen met de Joodse schouwburgbeheerder Walter Süskind en diens assitent Felix Halverstad maakte Pimentel een slim plan om zoveel mogelijk kinderen te laten onderduiken.
Henriëtte Pimentel werd op 26 april 1943 gearresteerd en is in september van dat jaar in Auschwitz vermoord. Danzij haar moed en vindingrijkheid kon het verzet honderden Joodse kinderen laten onderduiken. Velen overleefden de oorlog. Na de oorlog werd de crèche heropend en omgedoopt tot Huize Henriëtte.

Foto: © Ton Brosse

 
Op dinsdag 19 april 2022 werd de brug tussen het Tropenmuseum en de Plantagebuurt door Burgemeester Femke Halsema vernoemd naar Henriëtte Pimentel. Henriëtte Pimentel (1876-1943) was de Joodse leidster van de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg. Via deze crèche hielp zij uiteindelijk 600 Joodse kinderen ontsnappen. Ze is gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze op 17 september 1943 is overleden
Eerder heette brug 603 in Slotervaart Henriëtte Pimentelbrug, maar deze naam is verhuisd naar deze brug omdat Henriëtte in de nabijgelegen Sarphatistraat woonde en in de crèche aan de Plantage Middenlaan werkte (door Ron Huissen).

Foto: ANP

 
WIE ÉÉN MENS REDT, REDT EEN HELE WERELD

Het leven van Henriette Pimentel (1876-1943) stond al vroeg in het teken van zuigelingen en heel jonge kinderen. Zij volgde een 5-jarige opleiding tot bewaarschoolhoudster en bracht dat in 1902 in de praktijk op haar fröbelschooltje in een souterrain in de Sarphatistraat. In 1926 trad zij in dienst van de Vereeniging Zuigelingen-Inrichting en Kinderhuis, in 1906 begonnen in de Rapenburgerstraat 52.
"Henriette Pimentel woonde en werkte als leidster van de creche op de Plantage Middenlaan 31 tegenover de Hollandsche Schouwburg die door de Duitsers bezet was. Zij redde samen met o.a. Walter Suskind het leven van rond de 600 kinderen door ze in tassen en dozen via de achterkant van het gebouw weg te smokkelen naar onderduikadressen in o.a. Friesland en Limburg" (door Anneke Huijser).

Afb: prentbriefkaart

 
Marike Muller: "In het programma Eén Vandaag van 19 april 2022 herinnert Lies Caransa zich: "Ik ben uit mijn bedje gehaald, aangekleed en meegenomen naar de tuin. Daar ben ik aan de linkerkant over de schutting getild. Daar stond een vreemde man met een juten zak; daar ben ik in gestopt en toen ben ik over zijn schouder meegegaan naar buiten."
En Salo Muller vertelt in de Leeuwarder Courant van 14 december 2019:  "Zodra er een tram stond werd het kind via de zijde aan de openbare weg overgedragen aan een koerierster. Van dat ene Joodse kind dat niet mocht leven werd je in een paar minuten een niet-Joods kind dat wel mocht leven."
Dit zijn getuigenissen van twee mensen die hun leven te danken hebben aan Henriette Pimentel.
Zij was van 1926 tot 1943 directrice van de crèche  tegenover de Hollandse Schouwburg. In korte tijd heeft zij, samen met Walter Suskind en andere verzetstrijd(st)ers zeker 600 kinderen gered.
Vanaf 19 april van dit jaar wordt de door Ton Brosse zo mooi gefotografeerde brug bij de Muiderpoort ( brug 265) naar haar genoemd. Eerder was er al een fietsbrug in West met haar naam, maar de schrijvers van haar biografie: "Wacht maar, het veelbewogen leven van Henriette Pimentel", Esther Shaya en Frank Hemminga, hebben er voor gepleit dat er een brug in de Plantage naar haar vernoemd werd".

Op de foto uit 1942: Henriëtte Pimentel kleedt persoonlijk Remi van Duinwijck (schuilnaam voor Koenraad Gezang; Remi naar de weesjongen uit Alleen op de Wereld en Duinwijck naar de straat in Bloemendaal waar hij te vondeling was gelegd) aan om overgedragen te worden aan een koerierster; zijn verhaal speelt een rol in de film Süskind; bron: joodsamsterdam.nl

 
Over brug 265 hebben Ron Huissen en Kees Valentijn meer bij elkaar gesprokkeld:
"De brug overspant de Singelgracht en vormt de verbinding tussen de Plantage Middenlaan en de Mauritskade. In 1771 werd hier een houten poortbrug gelegd die aansloot bij de oude Muiderpoort. In 1884 kwam er een noodbrug naast (foto) want de oude poortbrug had te smalle aanbruggen [d.i. de verbinding tussen landhoofd en eigenlijke overspanning - red.] voor de paardentrams van de AOM. Toen dat bedrijf in 1900 opging in de Gemeente Tram Amsterdam werd dat al snel een elektrische tram en die had een steviger brug nodig.
In 1902 kwam er op de plaats van de noodbrug een nieuwe brug die eveneens het verkeer langs de poort leidde en dat is de brug van de quizfoto. Het ontwerp voor die brug kwam van de Dienst der Publieke Werken. Architect daar was Hendrik Leguyt, maar het is onbekend of hij het ontwerp daadwerkelijk heeft gemaakt, de dienst werkte als collectief. De stenen balustrades wijzen wel in de richting van Leguyt, dat was qua stijl een overgangsarchitect tussen de neo-stijlen uit de late 19e eeuw en de modernere stijl van Hendrik Petrus Berlage. Die stenen balustrades vindt men ook terug op de Nieuwe Amstelbrug waarvan Berlage het esthetisch ontwerp heeft gemaakt. Gedurende de jaren kreeg ook de nieuwe brug met overbelasting te maken. Rond 1927 werd ze daarom voorzien van gewapend beton onder de rijweg. Ook in latere jaren van de 20e eeuw zijn er werkzaamheden verricht, deze zijn te herkennen aan de hevige zoutschade die in de jaren 1980 aan de brug te zien was. In 2013 werd het (zware) verkeer meer naar het midden van de brug geleid. Het wegdek lekte water in de constructie van de brug en tastte zo het metselwerk van binnenuit aan. De gemeente liet er een nieuw brugdek op leggen en het jaar daarop liep bouwbedrijf Heijmans NV het gehele metselwerk steen voor steen na. De werkzaamheden vonden vanaf pontons in het water plaats. Tijdens de werkzaamheden moest altijd doorvaart mogelijk blijven voor eventuele scheepvaart.
De brug stond meer dan een eeuw (tot 5 juli 2016) officieus bekend als Muiderpoortbrug, vanwege de nabijgelegen Muiderpoort, dat ook naam gaf aan het Muiderpoortstation dat ongeveer een kleine kilometer ten zuidoosten van de brug ligt. April 2016 wilde de gemeente Amsterdam af van officieuze brugbenamingen en stelde voor om de naam officieel te maken of te schrappen. Het werd het laatste, in 2021 werd besloten de brug te vernoemen naar Henriëtte Pimentel. Deze naam was eerder toegeschreven aan brug 603 in Nieuw-West maar de adviesraad voor namen in de openbare ruimte (ANOR) hevelde de naam over naar deze burg in Oost, omdat ze dichter in de buurt van de Hollandsche Schouwburg ligt".

 
Er werd ook gemopperd over de naamsverhuizing: "Het is de Henriëtte Pimentelbrug, vernoemd naar redster van Joodse kinderen uit de Hollandsche Schouwburg. Ik was daar (die naamsverhuizing [red.]) persoonlijk niet zo blij mee. Ze had eerst een brug naar zich vernoemd gekregen in Nieuw-West in een wijk met namen van verzetsmensen. Het was een bescheiden bruggetje, dat wellicht beter bij haar paste, Ik heb dat ook naar Het Parool geschreven, mede doordat deze brug tussen  de Muiderpoort (naamgever van het beruchte station met transporten van Joden) en Tropenmuseum (herinnert aan ons fijne koloniale verleden) ligt. Een andere opmerking betrof de vraag, wat zij van doen had met Prins Alexander en Maurits (80-jarige oorlog). Ik was er 3 mei om foto’s te nemen en gedurende die tijd was er echt niemand, maar dan ook niemand die aandacht aan de plaquettes schonk. Een van de redenen die werd gebruikt om juist deze brug naar haar te vernoemen is dat zij dichter bij de Hollandsche Schouwburg ligt, maar die is vanwege die rare kronkel in de weg niet vanaf deze brug te zien. Overigens even ten noorden van deze brug ligt de Jules Schelvisburg (#264; over de Plantage Muidergracht), ook een verzetsman" (door Cees Camel). - Foto: © Rick Hoogervorst

 

Foto: Crèche Plantage Middenlaan 31 ±1924 (SAA)

Goede oplossingen kwamen van Kees Huyser, Anneke Huijser, Ria Scharn, Ger Lange, Arjen Lobach, Harald Advokaat, Ed Schut, Mike Man, Harry Snijder, Jos Mol, Aschwin Merks, Ron Huissen, Hans Olthof, Hans van Efferen, Marike Muller, Kees Valentijn,

Heeft u ook een opvallende foto gevonden?

Laat ons meegenieten en stuur hem naar de redactie. Het onderwerp kan zich zowel binnen als buiten de Singelgracht bevinden. Wij verwachten wel een niet alledaags beeld dat ook niet-buurtbewoners toch wel eens op het netvlies kregen. Graag via deze link en alléén via deze link a.u.b. Blijf sturen!

Fotoquiz Wat? Waar?

 

We kunnen het niet laten u af en toe met een lucht- of vogelvluchtopname te verrassen. Deze was nog niet eerder.

Onze vragen zijn:

Aan welk gracht/burgwal/kade staan de huizen in de Voorgrond?
Vanaf welk toren of bouwwerk is deze foto gemomen?

Laat het ons weten via deze link

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Oplossing vorige week

 

We kijken hier naar Keizersgracht 103-107. Wanneer u ook al een tijdje meeloopt herkende u wellicht op het gebouw met de zandstenen gevel rechts een bord met het logo van de AVRO. Hier vestigde zich namelijk in 1933 de Algemeene Vereeniging Radio Omroep (AVRO) en gebruikte het als hoofdkantoor. Door de groei van de omroep werden de nummers 105 (foto) en 103 gekocht die door architect Philip Warners in 1938 werden afgebroken en als een breed pand herbouwd. Minutieus waren alle bouwfragmenten van de sloop gemerkt en opgeslagen om later weer gebruikt te worden. Het pand 105 van de foto staat bekend als d'Bruynvis en het zandstenen pand 107 als d'Walvis. Na verhuizing van het hoofdkantoor naar Hilversum bleef nr.107 als bijkantoor gehandhaafd.

 
Foto rechts: amsterdamsegrachtenhuizen.info
Foto links: Stadsarchief Amsterdam

Goede oplossingen kwamen van Arjen Lobach, Anneke Huijser, Ria Scharn, Jos Mol, Aschwin Merks, Mike Man, Adrie de Koning, Marike Muller, Hans van Efferen, Kees Valentijn,

Met de camera op pad...

Een optocht..., maar waar lopen ze hier?

Waar is dit?

Laat het ons weten via deze link

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Foto van vorige week

 

Dit is de achterkant van brandweerkazerne Willem aan de Nieuwe Achtergracht. Hier heet het Voormalige Stadstimmertuin.
Gerard Koppers schrijft:
"Deze foto is genomen op de Voormalige Stadstimmertuin en toont de achterzijde van het complex waarin van 1909 tot 1984 de hoofdwacht W van de brandweer zetelde. Dat was tevens het centraal bureau, omdat daar ook de kantoren, werkplaatsen en magazijnen van het korps waren. De grote poort in het midden leidde naar de binnenplaats, waar de werkplaatsen en oefengevels waren, waarop men met redladders oefende. Die oefeningen waren altijd spectaculair".

Foto: © Pieter Klein
Foto onder: collectie Gerard Koppers

Goede oplossingen kwamen van Arjen Lobach, Anneke Huijser, Adrie de Koning, Gerard Koppers, Aschwin Merks, Ria Scharn, Ron Huissen, Jos Mol, Marike Muller, Mike Man, Hans van Efferen, Kees Valentijn,

Hulp gevraagd...

 

Daar heb je 'm alweer! Maar deze keer is het goed mis. Beide vorige uit het water getakelde paarden keken enigszins beduusd maar brachten het er levend vanaf. Bij dit paard was het al niet meer nodig de speciale beugels te gebruiken..., het paard lijkt dood..., verdronken.

Waar gebeurde dit?

U kunt de foto weer klikken voor de maximale resolutie.

Laat het ons weten via deze link

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Hulp gevraagd... en gekregen

 

Dit was weer een staaltje dubbele foto waarvan er één met en één zonder beschrijving in de Beeldbank voorkomen.
We zijn hier op de Herengracht en beide middelste huizen zijn de nummers 361 en 363.
Dit is een foto van de situatie voor een restauratie annex reconstructie van nr.361. Toen is de rechte kroonlijst, die in 1880 aangebracht was, weer vervangen door de oorspronkelijke trapgevel. In de band boven de onderpui zit de gevelsteen Sonnenbergh waarvan in het verleden de afbeelding grotendeels weggehakt was.
Herengracht 361 heeft de twijfelachtige eer het eerste pand in Amsterdam te zijn waar prostituees achter de ramen zaten; daarvoor alleen in clubs en bordelen, maar steeds binnenshuis. Het pand is in 1961 door Stadsherstel gerestaureerd, waarbij het de trapgevel en het renaissance-uiterlijk weer terugkreeg. Lees meer bij Stadsherstel....

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Hulp kwam van Anneke Huijser, Eric-Jan Noomen, Arjen Lobach, Arjen Lobach, Aschwin Merks, Ton Brosse, Maarten Helle, Jos Mol, Mike Man,

redactioneel

Hachnosas Ourechiem

 

Hulp aan ‘behoeftigen’ en/of liefdadigheid is tot in de twintigste eeuw voornamelijk in handen geweest van de geloofsgemeenten waartoe men behoorde. In Nederland waren dat vooral de verschillende richtingen binnen de protestante en rooms-katholieke kerkgenootschappen.
In de zeventiende tot en met de negentiende eeuw vluchtten tienduizenden Joden naar ons land. Ze konden in de Republiek terecht en werden zo goed en zo kwaad als mogelijk opgevangen door de bestaande Joodse gemeenten. Een netwerk van sociale zorg gebaseerd op ‘Tsedaka’, de religieuze plicht om leden van de gemeenschap te helpen die daar zelf niet toe in staat zijn, bestond in Nederland sinds de vroege vestiging van Portugese Joden begin zeventiende eeuw. Diverse liefdadigheidsinstellingen vervulden een belangrijke sociale en religieuze rol. De zorg voor armen, zieken, stervenden, doden, aanstaande bruiden, zwangere vrouwen, weduwen, wezen, behoeftige studenten en leraren ging steeds gepaard met religieuze studie.

Op de foto een tsedaka-collectebus

 
Echter hulp voor de grote aantallen vluchtelingen, zoals die na de pogroms in 1882-’83 in ons land aankwamen op weg naar de havensteden van waar emigrantenschepen hen naar Amerika zouden vervoeren, bestond niet. De voorzieningen waren nihil, nèt dragelijk voor hen die erger achter zich hadden gelaten. De Joodse gemeenschap vond het verschrikkelijk hun geloofsgenoten zo behandeld te zien en toen begin twintigste eeuw nieuwe groepen arriveerden werd er beraadslaagd hoe men hen beter kon helpen. Op 1 november 1904 werd een vergadering belegd in de Hoofdsynagoge te Amsterdam met het doel een beginkapitaal bijeen te brengen. Op 5 juni 1905 (2 siwan 5666) werd de Amsterdamse tak van de vereniging ‘Hachnosas Ourechiem, Steun aan Doortrekkenden en Passantenasyl’ opgericht. De oprichtingsvergadering in Maison Frijda op Nieuwe Herengracht 93 werd voorgezeten door opperrabbijn Palache en de toelichting op de werkwijze werd steeds met applaus en gejuich ontvangen door een zeer welwillend publiek. Het oprichtingscomité bestond o.a. uit de rabbijnen Onderwijzer en Vredenburg. Voorzitter van het dagelijks bestuur werd M. Person, die echter in het eerste jaar al besloot naar Parijs te verhuizen. Zijn opvolger werd Abraham Michael Herzberg (1866-1938), die in 1882 uit Preckule in het Rusland van Tsaar Alexander III naar Amsterdam was gevlucht en een nieuw bestaan had opgebouwd als diamantwerker. Hij trouwde met Rebecca Person die dezelfde achtergrond had en in hetzelfde jaar van Dunaborg (Letland) in Amsterdam aankwam. Hun zoon Abel Jacob zou later nog van zich doen spreken.

Afbeelding: militairen kijken werkeloos toe wanneer een meute een Joodse medeburger aanvalt - Kiev 1881

 
De troonsbestijging van Tsaar Alexander III in 1881 luidde een serie van pogroms in die veel Joden op de vlucht dreef. Het Nieuw Israelitisch Weekblad, bij monde van Philips Elte, riep op tot ondersteuning van vluchtelingen die in Nederland terecht kwamen. Dat was de aanleiding voor de oprichting van de steun verlenende Vereniging Montefiore in Rotterdam omdat die stad een verzamelpunt was voor migranten die de oversteek naar de Verenigde Staten, Zuid-Amerika of Australië wilden maken. Dat neemt niet weg dat er toen ook al in Amsterdam initiatieven waren om migranten bij particulieren onder te brengen. Van M.A. Person is bekend dat hij een ‘Auswanderer-haus’ dreef op de Oudezijds Achterburgwal 33 waar Joodse gasten tegen betaling, hoe gering ook, welkom waren. De advertentie was opgesteld in het Hebreeuws en Jiddisch. Hachnosas Ourechiem werd na de tweede reeks pogroms in 1903-1905 opgericht. In de jaren die daarop volgden werden meerdere verenigingen met gelijke werkzaamheden met de naam ‘orchim’ (Hebreeuws voor ‘gasten’) opgericht. Door de Eerste Wereldoorlog zakten de donaties tot een dieptepunt en daarna horen wij van de Amsterdamse vereniging ook niets meer.
Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en de Nederlandse neutraliteit concentreerde de stroom vluchtelingen vanuit Rusland zich in 1914 -’18 alleen nog op Nederland, wat door de geallieerden werd opgelegd. Het lukte lang niet altijd om vanuit Nederland de oversteek te maken; een strenge medische keuring vooraf deed veel Joden afvallen die noodgedwongen hier in interneringskampen moesten blijven en zich probeerden aan te passen, desnoods door het kamp te ontvluchten en de illegaliteit op te zoeken. Cijfers zijn niet bekend maar dat de Joodse gemeenschap daardoor in omvang toenam is duidelijk. En dat in een tijd van oorlogen en recessie.

Foto: tijdens de oorlog tussen Wit-Russen en het Rode leger kwamen de Joden opnieuw in de verdrukking

 
Person en Herzberg waren zwagers. Person had goed werk verricht bij de voorbereidingen maar nu moest er doorgepakt worden. Dat deed Herzberg dan ook; hij huurde een lokaal in de Manegestraat waar meteen een paar emigranten opgevangen konden worden. Het belangrijkste werk moest echter nog beginnen. Aan de Nederlands-Duitse grens heersten wantoestanden; Bentheim was een hel voor Joodse vluchtelingen en Emmerich was niet veel beter. Vanuit Deventer werden grenscomités opgericht die de vluchtelingen opvingen en onderbrachten in emigantenhotels waar ze hun lompen konden inruilen voor ingezamelde kleren en voorzien werden van politiekaarten en medische hulp. In samenwerking met de Spoorwegen, de Holland-Amerika Lijn en Hollandsche Lloyd werden biljetten verstrekt om makkelijker te kunnen doorreizen naar de havensteden. In Zevenaar werd menselijker omgegaan met vluchtelingen en Hachnosas Ourechiem en Montefiore, ook een Joodse passantenvereniging te Rotterdam die al sinds 1883 actief was, deden er alles aan om Joden op doorreis via dát grensstation om te leiden. Dit alles door vrijwilligers en alleen tegen vergoeding als de emigranten nog iets van geld bezaten. Dat eerste jaar al kreeg de vereniging dankbetuigingen uit Amerika. Op de eerste jaarvergadering toonde het bestuur trots een kistje dat zij aan emigranten had meegegeven met de benodigde attributen om onderweg godsdiensten aan boord te kunnen houden. Het kistje was teruggekomen met een inscriptie in het deksel.

 
Een forse streep door de rekening was de Engelse ‘Immigration Act’ van 1 januari 1906 die het vluchtelingen moeilijk maakte vanuit Engeland door te reizen naar Amerika. Na overleg in Londen mochten per boot slechts 11 emigranten mee, meestal maar éénmaal per week, heel soms tweemaal. Dat schoot dus niet op. De kosten van onderbrenging in het eerste jaar overstegen de inkomsten vele malen. Grote steun waren de bijdragen van het Groot-Russisch comité dat alleen het eerste jaar al ƒ4615,50 bijdroeg.

Op de foto een gezelschap 'doortrekkenden' op de binnenplaats van Weesperstraat 2; opnieuw in de kleren gestoken en goed gevoed, klaar om verder te reizen

 

Op 11 september 1906 ging een wens in vervulling. Die dag werd aan de Weesperstraat 2 een eigen onderkomen voor de vereniging geopend. Met veel giften, de belangrijkste alweer van het Groot-Russisch Comité met ƒ2000, had de vereniging dit huis kunnen kopen. Er werden vier slaapkamers ingericht met 27 bedden, er was een keuken en een conciërgekamer en in de tuin was een kinderspeelplaats ingericht. Grote aandacht was er voor hygiëne: vers stro, gewassen beddengoed en glad gepleisterde wanden zodat ongedierte weinig kans zou hebben. Wanneer Herzberg door journalisten om commentaar werd gevraagd, weigerde de grote motor achter alle activiteiten daarop in te gaan, hij had daar geen tijd voor en hield niet van pochen. De enkeling die alles uit de doeken deed, verzocht anoniem te mogen blijven omdat hem dit anders door Herzberg kwalijk genomen zou worden. Herzberg was de eenvoud en vanzelfsprekendheid in persoon, geen wonder dat er geen foto van hem te vinden is, zelfs niet een waar hij mede opstaat. Wel een propagandafoto van een groep emigranten die nieuw gekleed en uitgerust klaar stonden om dankzij Hachnosas Ourechiem het vervolg van hun reis in betere omstandigheden te beginnen.
In de crisisjaren werd weer een ander comité opgericht, het Comité Joodsche Vluchtelingen (CJV) voortgekomen uit het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen (CBJB) eveneens in Amsterdam, ’s Gravenhekje 7. Dat comité bediende zich gedeeltelijk van betaalde krachten maar kreeg het heel moeilijk doordat de Nederlandsche regering Duistland niet tegen de haren in wilde strijken en veel beperkingen oplegde. Economische vluchtelingen werden teruggestuurd naar het land van herkomst.

Foto: Stadsarchief Amsterdam

De afbeeldingen bij dit artikel komen uit diverse geschiedenissites op internet, tenzij precies vermeld

Column: Illustere gebouwen c.q. schepen

Boele Kapteyn was een échte zeeman met échte zeebenen. Ik kwam hem vaak tegen bij de tap van een schipperscafé en dergelijke waar hij zipte aan zijn donkere biertje en zijn Muier Bittertje. Ik zat vandaag naast hem op een kist achter het CS aan het IJ. Boele leest niet veel, maar stukken over de zeevaart en Oud Amsterdam bestudeert hij tot aan het naadje. ‘Je bent lekker bezig, Gijsbreght, met je gebouwen en zo. Ik lees dat graag.’ ‘Weet jij nog een illuster gebouw Boele?’ Nou dat wist Boele wel. ‘ “De Pollux” , schrijf dáár maar eens over, dát is mijn gebouw!’ Nu ja, de Pollux is natuurlijk geen gebouw, dat weten Boele en ik ook wel. De Pollux ligt (lag) al sinds jaar en dag aan het Oosterdok en diende als opleidingsschip voor een nieuwe lading matrozen en andere zeevarenden die studeerden aan de zeevaartschool aan de Hendrikkade. Boele: ‘Ja, ik vond het altijd een machtigmooi gezicht, dat daar zo’n grote driemasterbark lag, waardoor er plaatjes door je hoofd schoten van de glorietijd van al die zeereuzen van het kleine maar nautisch zo grootse Nederland. Soms zag je op de Pollux aspirantdekschrobbers lenig het want in schieten, trossen lossen, knopen oefenen en gewapend met een emmer en een schuier  het dek laten glinsteren. Van 1960 tot 1965 heb ik daar de fijne kneepjes van het mooiste vak geleerd, Gijssie. Jezelf klaarmaken voor….de gróte vaart!! Een jongensdroom!’ De kleine oogjes van Boele twinkelden en beeldden duidelijk heimwee uit. Boele vertelde dat hij thuis niet echt te pruimen was. Hij was een irritante overbeweeglijke juveniel en moest er altijd op uit. En dat nam Nederlandse (lees: Nautische) vormen aan, want geen bootje, pontje, vlotje of scheepje, of Boele sprong erop en roeide of tufte erop los, tot plezier van de bemanning want Boele was onvermoeibaar en was bootsman, stuurman, matroos en stoker ineen, voorwaar een harde werker. ‘Maar,’ zei hij, ‘de alternatieve energie heeft de toekomst, dus laat de wind, die in de Lage Landen altijd flink voorradig is, maar helpen mij en mijn lading ginds te brengen, zoals in oude tijden.’ ‘Ik haalde mijn diploma van de zeevaartschool en heb een jaartje of wat meegetjoekt op de binnenvaart. Slapen deed ik tussen de andere zeebonken in het zeemanshuis op het Kadijksplein. Maar…, mijn hart ging toch altijd weer uit naar de oude windjammers! Als ik in Enkhuizen bij het treinstation met een biertje aan het water zat, zag ik ineens op het IJsselmeer iets groots en  zilverachtigs oplichten. Een wonder! Een engel. Een…..driemaster…, die daar rustig lag te pronken in de zon en met een briesje in de zeilen. Een aantal scheepsnamen van de schepen die ik ontwaarde, heb ik achterhaald.

Zo lag daar vaak de Artemis uit Harlingen, en ook wel de Stedemaeght uit Urk. Een paar van die schepen heb ik bezocht en ze konden me goed gebruiken. Daar heb ik de fijne kneepjes geleerd. Ik was er matroos, stewart, manusjevanalles etc. Ook heb ik een tijdje zeilen genaaid op de Batavia in Lelystad. Heerlijk vond ik het om het want te beklimmen om de zware zeilen op te rollen, met de wind in je haren! Ze zeilen met die schepen nog steeds op de oude manier en de eigenaar en de bemanning houden het schip goed op orde en verdienen het onderhoudsgeld terug door het schip te verhuren aan mensen die een jubileum hebben e.d. De passagiers worden ook nog eens aan het werk gezet, wat ze alleen maar plezierig vinden, zo leerden ze nog eens iets ambachtelijks en hadden ze verhalen voor bij de borrel.’ Boele: ‘lk heb een idee Gijssie. Ik zou graag de Pollux of een andere bark willen parkeren achter het Centraal, waar we nu zitten zogezeid. Dan zul je zien dat mensen daar gaan kijken. We hebben natuurlijk wel al een paar replica’s van oude VOC-schepen bij het scheepvaartmuseum en in Lelystad, maar zo’n schip voor anker leggen waar ze eeuwen geleden ook lagen, bij het CS in het IJ, dat lijkt me wel wat. En mocht dat niet kunnen, dan lossen we het op een moderne manier op. Dan projecteren we een hologram van zo’n schip. Dat kost allemaal centjes, maar ook daar heeft Boele over nagedacht. We noemen het ‘De driemasterbark herleeft’ en dat valt dan onder het hoofdstuk… kunst!’ ‘Boele!’ zei ik, ‘zou dat gaan werken? En hoe genereer je dat geld?’ ‘Nou daar heb ik over nagedacht, dat zei ik toch. Heb je wel eens van de ‘percentageregeling’ of de ‘eenprocentsregeling’ gehoord?’ ‘Neen.’ ‘Dat is om de kunst te promoten. Als er grote bouwprojekten of wegenbouwprojekten gaande zijn, is de bouwer verplicht één procent van de totale bouwsom aan kunst te besteden.’ ‘En wat heeft dat met de Pollux te maken?’ ‘Nou, het hele Centraal Station is pas gerenoveerd. En dat kostte heel wat eurootjes…, nou daar pakken we dan één procentje van weg voor ‘De driemasterbark herleeft’. Ik heb al een afspraak gemaakt met mevrouw Halsema, die zou me helpen, zei ze.’ ‘Nou, jij zit niet stil Boele,…en ik moet zeggen, ik ben ook wel gek op die ouwe trots der natie, ik geniet van oude ambachten en van oude beroepen,…en het hoort ook een beetje bij zo’n Mokum-lover als ik…, want Mokum is ook… zeevaart en wereldzeeën! Als ik nog eens een feestje heb, huur ik zo’n driemasterbark en dan gaan we een stukkie genieten, en jij mag ons rondleiden dan, Boele!’ En dat spraken we af.

Op de foto boven de ligplaats aan de NDSM-pier. Rechts een kaartje van die ligplaats - Foto: Pollux Pacific

De Pollux is een replica van een 3-mastbarkzeilschip van omstreeks 1850. Het was jarenlang in gebruik als opleidingsschip voor matrozen van de koopvaardij met als ligplaats Amsterdam. Het schip werd gebouwd op de werf van rederij Verschure en is op 11 september 1940 te water gelaten. In januari 1941 werd het in gebruik genomen als zesde opleidingsschip voor het in 1849 door de ‘Koninklijke Nederlandsche Zeil- en Roeivereeniging’ opgerichte ‘Matrozen-Instituut’, de latere ‘Lagere Zeevaartschool Pollux’. Het schip lag van 1940 tot 1984 afgemeerd aan het Oosterdok te Amsterdam. In 1969 werd het schip voorzien van nieuwe masten. Als opleidingsschip deed het dienst tot 1989. In 1989 is de Pollux verplaatst naar IJmuiden waar het tot 1991 in gebruik was als internaatschip. Sinds 2012 is het schip na restauratie terug in Amsterdam, het ligt in het IJ bij het vroegere NDSM terrein. In 2013 heeft de Pollux een andere plek gekregen aan de NDSM-pier. In 2014 is het schip verkocht aan de eigenaar van het Amstel Botel en werd tussen 8 januari en 25 maart 2015 gerenoveerd bij Scheepswerf Brouwer in Zaandam. In 2015 is het nieuwe Indo-Asian Restaurant aan boord van de ‘Pollux Pacific’ geopend.

Op de foto's hieronder de Artemis uit Harlingen (foto atlasail.com) en de Stedemaeght uit Lelystad (foto: belevenissen.nl)

 
Op de foto's hierboven het Zeemanshuis (Foto: 020apps) op het Kadijksplein en de Hogere Zeevaartschool op de Prins Henrikkade 189 (Foto: SAA)
Links: Jonge matrozen in opleiding gaan van hun schip de Pollux naar een feestavond in Krasnapolsky (SAA)

Ooit diende de Pollux als opleidingsschip voor de koopvaardij. Matrozen klommen in het want en lieten de zeilen bollen in de wind. Nu ligt de driemaster afgemeerd bij de NDSM-Werf, the place to be…, en is het een restaurant, ‘Pollux Pacific’, waar sfeer met hoofdletters wordt geschreven; warm, intiem en ontspannen.

De afbeeldingen bij dit artikel komen uit de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam, tenzij anders vermeld

 

Nieuwe raadplaat voor week 21

De vragen zijn:

In welke steeg vinden we dít bovenlicht?

Laat ons uw antwoord op deze vraag weten via deze link

Foto: hoort u volgende week

NB:
Het raampje boven een deur van een monumentaal huis, wordt ook wel een bovenlicht genoemd. In de 17e eeuw werden er voor het eerst gangen in monumentale panden gebouwd. Maar hoe deden ze het daarvoor dan? Voor die tijd kwam je direct in een (woon)kamer binnenvallen. Alleen door de komst van de gang ontstond er één probleem: geen licht. Daarom werd er boven de voordeur een bovenlicht gebouwd, zodat er licht in de gang kwam. Leuk feitje: in die tijd was het nog niet mogelijk om een groot vlakglas te maken en daarom werden de bovenramen gevuld met kleine glas-in-lood ruitjes. Om te laten zien dat mensen van hoge afkomst waren werden de raampjes versierd door een ornament erin te plaatsen. Later kreeg je ze in verschillende soorten, maten en vormen. Puur voor de show dus. Zie het voorbeeld op de foto rechtsboven.

In dit digitale weekblad schreven wij eerder over snijramen, een nog luxueuzer bewerkt bovenlicht. Lees daarover meer...

 

Oplossing raadplaat week 20

‘Ode aan het varken’ van Jantien Mook in het Westerpark

Met de projecten van ‘Ode to the Wilderness’’ hoopt beeldend kunstenaar Jantien Mook mensen te verrassen, blij te maken, hun hart te openen. ‘The Wheeping Elephant’ was eerder te zien op het Stenen Hoofd en nu is daar ‘Ode aan het Varken’.‘Ode aan het Varken’, is een varken dat naar vrijheid springt. Met dit werk wil Jantien de schoonheid en de vitaliteit van dieren tonen. Ze hoopt dat mensen zich vereenzelvigen met het dier en niet wegkijken in een tijd van de bio-industrie. Het varken verbeeldt de vreugde, de vrijheid en de levensenergie waar elk levend wezen behoefte aan heeft. Samen met haar vriend Dirk-Jan Schrander heeft ze het beeld gemaakt. Het varken is sinds 2018 op reis door Nederland, België en Duitsland.

Foto: Wikipedia

Goede oplossingen kwamen tot mij van: Jos Mol, Kees Huyser, Anneke Huijser, Leo van der Meer, Harald Advokaat, Anthony Kolder, Adrie de Koning, Mike Man, Aschwin Merks, Hans Olthof,  Hans van Efferen, Marike Muller en Kees Valentijn.

YouTube: Harmonie Tuindorp Oostzaan

Deze week honderd jaar geleden

Woensdag 31 mei 1922 - Twee grote branden in Amsterdam: bij Werkspoor op Oostenburg en bij Van Leer op de Asterweg. Daarvan was die bij Werkspoor veruit de grootste brand, van een omvang die de brandweer in 30 jaar niet meer had meegemaakt. Beide blusboten waren aanwezig en een auto-stoomspuit. Op enig moment werd het vuur bestreden met 52 waterstralen. Dat kon niet verhinderen dat een groot deel van het fabriekscomplex in de as werd gelegd. Getroffen werden modelmakerij, magazijn, modellenbergplaats, kopergieterij, turbineconstructiewerkplaats en locomotiefstelplaats. Een paar locomotieven in aanbouw konden niet meer in veiligheid gebracht worden maar konden later toch afgebouwd worden. Dat ging niet op voor de turbines van het oorlogsschip H.M.Sumatra (kruiser, gebouwd bij de NSM) die verwoest werden. Daardoor kon de indienstneming van het schip pas in 1926 plaatsvinden. Vanaf de kiellegging in 1916 betekende dat een bouwtijd van volle 10 jaren. De brand werd gemeld om 19:28 uur, de brandweer was aanwezig na drie minuten, brandmeester om 22:00 uur en einde blussing de volgende morgen om 03:00 uur. Daarna werd nog 15 uur nageblust. Drie brandweermensen raakten gewond. De nieuwe Van Gendt-hallen bleven gelukkig gespaard.
De Sumatra had voornamelijk dienst gedaan in de wateren rond Ned. Indië en was in 1938 min of meer toevallig naar Nederland teruggevaren om het 40-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina op te luisteren. WOII diende de kruiser als begeleiding van konvooien en had prinses Juliana met kinderen naar Canada gebracht. In 1944 speelde het zijn laatste rol in operatie Overlord, toen zij moedwillig tot zinken werd gebracht om een golfbreker voor een kunstmatige Mulberryhaven voor Ouistreham te vormen. Het schip was toen al uit dienst genomen en ontwapend. Het wrak werd in 1951 - met andere schepen uit de golfbreker - verkocht om gesloopt te worden.

 
Donderdag 1 juni 1922 - In den afgelopen nacht hebben inbrekers een bezoek gebracht aan de sekretarie der Portugese synagoge aan het Jonas Daniël Meijerplein. De inbraak werd hedenmorgen vroeg door den koster ontdekt toen hij de synagoge voor den ochtenddienst zou openen. De inbrekers hebben zich eerst toegang verschaft tot de bij de synagoge behoorende mikwa, de ritueele badinrinrichting. Vandaar kwamen zij op de groote binnenplaats en ontsloten'de deur die toegang geeft tot het bureau der secretarie. In de kamer van der secretaris haalden zij uit diens schrijfbureau de sleutel van de archiefkamer welke zij openden. Eenmaal daar binnen, begaven zij zich rechtstreeks naar een der beide ijzeren kluiskasten, waarin na bureautijd de boeken en bescheiden van waarde worden weggesloten. Gisteren was daarin echter tevens gedeponeerd het juist van de bank gehaalde bedrag van ongeveer ƒ4000, bestemd voor het uitbetalen van salarissen. De zware ijzeren deur werd ter hoog te van het slot á la sardine opengescheurd, het slot er uit gestoken en daarna de ƒ4000 geroofd.
Alles wijst er op dat hier met de situatie en gebruiken bekende personen aan het werk zijn geweest. Verder wordt niets vermist. Zelfs een brandkast in de kamer van den secretaris lieten de dieven onaangeroerd.

De pijl op de plattegrond boven geeft aan waar 100 jaar geleden het secretariaat was.

 

 

Donderdag 1 juni 1922 - B&W en de Raad besluiten tot uitbreiding van Oostzanerdorp. Zo heet voorlopig de verzameling semi-noodwoningen in de Noorder IJpolder. Door de uitbreiding die op til is, zal de naam gewijzigd worden in Tuindorp Oostzaan. De noodwoningen zullen echter nooit afgebroken worden.

Foto: Stadsarchief Amsterdam

Oude afleveringen

Hieronder weer een keuzemenu naar oude afleveringen van het jaar 2022. De keuze 2014 t/m 2021 leidt naar de laatste aflevering van het betreffende jaar, met onderaan een eigen menu voor dat jaar.

2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 wk01 wk02 wk03 wk04
wk05 wk06 wk07 wk08 wk09 wk10 wk11 wk12 wk13 wk14 wk15 wk16
wk17 wk18 wk19 wk20 wk21 wk22 wk23 wk24 wk25 wk26 wk27 wk28
 

Aanmelden voor deze digitale uitgave    -    Afmelden voor deze digitale uitgave